De dood.
Er is iemand overleden in de omgeving van mijn vriend. Hij kent haar niet, enkel haar gezicht. Ze loopt over dezelfde gangen als hij. Praat met dezelfde mensen. Maar toch, ze is vermoord. Iemand heeft besloten dat het afgelopen moest zijn met haar leven. Haar exvriendje. Haar moordenaar was in de war, bedoelde het niet zo. En zo heeft iedereen om het meisje heen hun eigen tragiek verworven. Onbedoeld of ongewild.
Ik vraag me af of het mij had kunnen zijn. Of mijn geliefde. Hoe fucked up kan het leven mij maken. Ik denk aan een straatje, misschien zelfs een plein. Na een avond stappen. Over hoe iemand mij opbelt om te zeggen dat hij niet meer thuis komt. En ik voel alles in mijn maag draaien.
Ik hoor van een vriendin van de middelbare school dat haar vader is overleden. Midden vijftig en een hartstilstand. Zo uit het niets. Mijn vader drinkt te veel melk, gebruikt te veel boter en eet te veel chocola. Mijn vader werkt en werkt. Hij geniet van zijn leven maar of hij gezond leeft. En ook hier draait mijn buik weer een kwartslag.
Je mag niet te bang zijn want dan verlies je de greep op het leven. Niet te veel angst want dan geniet je niet. Ik stap geen trein met de gedachte dat hij zou ontploffen. Ik kus mijn vriend niet met de gedachte dat het de laatste keer zou kunnen zijn. Ik spreek mijn vader te weinig, maar ben niet bang om daar voor gestraft te worden.
Alleen soms eventjes. Dan mag mijn buik zich even keren om vervolgens mijn hoofd weer naar boven te richten en te genieten van de bloemen die ik ‘s ochtends heb gekregen en de cadeaus die ik inpak voor mijn Sinterklaasfeest. Ik mag wel nog even genieten van het leven.
